Gino wordt oud.
Niet op de gezellige manier waarop je bij een grijze snuit zegt dat iemand inmiddels een respectabele leeftijd heeft bereikt. Echt oud. Zijn lijf raakt op.
Hij slaapt meer. Beweegt moeilijker. Dingen die altijd vanzelf gingen, kosten ineens moeite. Soms kijken we naar hem en hoeven we eigenlijk niets tegen elkaar te zeggen. We weten het.
Zijn levenseinde komt dichterbij.
Dat is verdrietig. Gino hoort al zo lang bij ons gezin dat het bijna vreemd is om hem een huisdier te noemen. Hij is er gewoon. Zoals de bank er staat, de kinderen boven slapen en er ergens altijd wel een verdwaalde sok op de grond ligt.
Alleen weten wij inmiddels dat dat ‘er gewoon zijn’ niet vanzelfsprekend meer is. En onze kinderen weten dat ook.
Daar begint voor ons een stuk ouderschap waar ik geen flauw idee van heb hoe je het goed doet. Want hoe bereid je je kinderen voor op het overlijden van een dier van wie ze houden?
Niet alleen op het moment zelf, maar juist op deze periode ervoor. Op het langzaam minder worden. Op het besef dat iets wat vandaag nog onderdeel van hun wereld is, binnenkort verdwenen kan zijn.
Daarbij hebben wij nog een extra complicatie. Onze kinderen doen dat namelijk allebei totaal anders.
De jongste probeert het te begrijpen.
Hij stelt vragen. Wil weten wat er gebeurt, waarom het gebeurt en wat dat vervolgens betekent. Zijn hoofd maakt er haast vanzelf een soort onderzoek van.
Hoe weet je dat Gino doodgaat? Wat gebeurt er dan met zijn lichaam? Heeft hij pijn? Hoe oud kan een dalmatiër eigenlijk worden? En wanneer weet je dat het genoeg is?
Soms zijn het vragen waarop we antwoord hebben. Soms ook helemaal niet.
Maar ik herken inmiddels dat hij niet kil of afstandelijk met het onderwerp bezig is. Integendeel. Dit is zijn manier om dichterbij te komen. Als hij begrijpt wat er gebeurt, krijgt iets ongrijpbaars een beetje vorm.
De oudste doet bijna het tegenovergestelde.
Hij hoeft niet eerst te begrijpen om te voelen. Hij voelt het allang.
Hij ziet Gino moeilijk overeind komen en het verdriet zit er meteen naast. Niet noodzakelijk in grote gesprekken of eindeloze vragen, maar in de verbinding. In bezorgdheid. In extra aandacht. In verdriet om iets dat nog niet eens gebeurd is. Hij neemt als het ware alvast kleine stukjes afscheid.
En daar staan wij dan tussen.
Met aan de ene kant een kind dat antwoorden zoekt en aan de andere kant een kind dat misschien helemaal niet op al die antwoorden zit te wachten.
Als ouders wil je instinctief iets oplossen. We willen voorbereiden, beschermen. De juiste woorden gebruiken en ervoor zorgen dat ze straks niet volledig overvallen worden.
Alsof er ergens een optimale hoeveelheid waarheid bestaat die je precies op het juiste moment aan een kind kunt geven. Maar waarschijnlijk bestaat die niet.
Want misschien hoeven we onze kinderen helemaal niet naar dezelfde manier van afscheid nemen te brengen. Misschien is dat juist waar ik langzaam achter begin te komen.
De jongste hoeft niet verdrietiger te praten om te bewijzen dat het hem raakt.
De oudste hoeft niet alles te begrijpen voordat hij er klaar voor is.
Ze houden allebei van dezelfde hond. Ze verliezen straks allebei dezelfde hond. Maar de weg daar naartoe mag verschillend zijn.
Onze taak is misschien minder om ze voor te bereiden op wat ze moeten voelen, en meer om ruimte te maken voor wat er vanzelf ontstaat. Voor de vragen. Voor de tranen. Voor een kind dat ineens naast Gino op de grond gaat zitten. Maar óók voor een kind dat vijf minuten nadat we over doodgaan hebben gepraat weer volledig opgaat in iets totaal anders.
Want kinderen zijn daar misschien beter in dan wij. Verdriet kan enorm zijn en toch hoeft het niet de hele dag te bestaan. Je kunt bang zijn dat je hond doodgaat en ondertussen ruzie maken over wie de grootste koek heeft. Je kunt huilen en tien minuten later lachen. Je kunt een ingewikkelde vraag stellen over wat er met een lichaam gebeurt na de dood en vervolgens vragen wat we vanavond eten.
Dat maakt het verdriet niet kleiner. Het maakt ze kind. En misschien zit daar ook een les voor onszelf in.
Want ondertussen moeten wij natuurlijk óók afscheid nemen. Dat vergeet je bijna wanneer je bezig bent met hoe de kinderen dit moeten doorstaan.
Wij zien Gino ook achteruitgaan. Wij weten ook wat eraan komt. En wij hebben net zo min een draaiboek.
Misschien hoeven we dus niet voortdurend de sterke ouders te spelen die precies weten hoe je zoiets doet. Misschien mogen onze kinderen best zien dat wij verdrietig zijn.
Dat papa even moet slikken wanneer Gino niet meer zelfstandig overeind komt. Dat mama hem langer aait dan normaal. En dat wij soms ook niet weten wanneer het juiste moment is.
Niet om ons verdriet bij hen neer te leggen. Maar omdat afscheid nemen misschien juist iets is wat ze niet alleen van onze woorden leren.
Ze leren het door te zien hoe wij liefhebben. Hoe we zorgen wanneer zorgen steeds moeilijker wordt. Hoe we verdriet niet wegduwen. En hoe we ondertussen nog steeds lachen, eten, naar school gaan en struikelen over dezelfde zooi in huis. Gewoon leven dus. Terwijl ergens midden in dat gewone leven langzaam een afscheid ontstaat.
En misschien is dat uiteindelijk het enige wat we onze kinderen hierover kunnen leren. Niet hoe je afscheid móét nemen. Niet hoeveel verdriet normaal is of welke vragen je hoort te stellen.
Maar dat je iemand kunt liefhebben terwijl je weet dat je hem kwijt gaat raken. Dat de een daarover honderd en een vragen mag stellen en de ander misschien geen enkele.
Dat je mag huilen en dat je ook gewoon mag spelen. Dat je niet hetzelfde hoeft te voelen om toch samen verdrietig te zijn.
Gino is er nu nog.
Dus vandaag aaien we hem. Vandaag beantwoorden we de vragen die we kunnen beantwoorden. Vandaag laten we stiltes bestaan waarvoor geen antwoord nodig is.
En straks?
Straks zoeken we dat wel uit. Waarschijnlijk ook gewoon tussen de kruimels door.


