Er zijn dieren die in een huis wonen, en er zijn dieren die langzaam onderdeel worden van het huis zelf.
Van het ritme. Van de geluiden. Van de gewoontes. Van hoe een dag begint en eindigt.
Jij was dat.
Je was er niet alleen bij, je hoorde erbij. In de vanzelfsprekendheid van alledag. In voeten over de vloer, in blikken die genoeg zeiden, in nabijheid zonder woorden. Je was een aanwezigheid die zo gewoon was geworden, dat het bijna onmogelijk voelt om te bevatten dat juist dát nu zal verdwijnen.
En toch is dit het moment waarop liefde iets anders van ons vraagt dan vasthouden.
Niet nog een dag erbij, koste wat kost.
Niet rekken omdat wij nog niet zonder je kunnen.
Maar kijken. Echt kijken. Naar jou. Naar je lichaam, dat moe is geworden. Naar alles wat niet meer gaat. Naar de stilte die jij zelf al bent ingegaan, nog voordat wij er woorden voor hadden.
Dat is misschien wel het moeilijkste van houden van iets of iemand: dat liefde op een dag niet meer vraagt om vechten, maar om toelaten. Om zachtheid. Om loslaten, terwijl alles in ons liever nog even zou blijven staan waar het stond.
We nemen vandaag afscheid van je. Niet lichtvaardig. Niet koel. Niet omdat je ons tot last bent geworden, maar juist omdat je ons lief bent. Omdat waardigheid óók liefde is. Omdat rust soms het laatste geschenk is dat je elkaar kunt geven.
Dank je wel, Nikan.
Voor je trouw.
Voor je stille aanwezigheid.
Voor de jaren waarin jij gewoon Nikan was, en dat meer dan genoeg was.
Voor alles wat je gebracht hebt zonder ooit iets uit te hoeven leggen.
Je mag gaan nu.
Je hoeft niets meer vol te houden.
Je hoeft ons niet gerust te stellen.
Je mag rusten.
Wij blijven hier achter, tussen de kamers waar jij was, tussen de herinneringen die straks nog overal zullen liggen alsof jij elk moment weer de hoek om kunt komen.
En misschien is dat ook wel zo, een tijdje.
Niet in lijf, niet in stap, niet in adem.
Maar wel in alles wat vertrouwd is geworden door jou.
Ga maar, jongen. Je mag rusten nu.
Wij zien je.
Wij danken je.
Wij houden van je.


