Er zat liefde in, en ook pindakaas

Er zijn van die avonden waarop het ouderschap niet voelt als een roeping, maar als een logistiek nablijven.

De dag is eigenlijk klaar. Tenminste, dat zou je denken. Er zijn kinderen gewassen, aangespoord, toegesproken, gevoerd, gecorrigeerd, getroost en richting bed bewogen. Er is ergens nog een pyjama verdwenen. Iemand moet nog plassen. Een ander heeft dorst. En iemand heeft ineens een gedachte over de dood, het heelal of waarom hij morgen écht niet naar school kan, precies op het moment dat jij dacht dat het licht uit kon.

En dan moeten de broodtrommels nog.

Niet alleen de broodtrommels voor school. Nee, dat zou te overzichtelijk zijn.

Ook het fruit. Want koekjes op een gezonde school, ho maar. De drinkbekers. De tascontrole. En, omdat wij inmiddels blijkbaar volledig ontspoord zijn in onze poging de ochtend te overleven: zelfs het ontbijt heeft zijn eigen broodtrommel voor de volgende ochtend.

Dat klinkt georganiseerd. Dat is het niet.

Het is eerder paniek met deksel.

Een poging om de ochtend alvast voor te zijn. Alsof je een klein stukje toekomst kunt vouwen, beleggen en in de koelkast kunt leggen. Alsof morgen minder hard binnenkomt wanneer er alvast brood in plastic bakjes zit.

En eerlijk is eerlijk: soms werkt dat ook.

Soms voelt het bijna volwassen.

Dan staan daar drie trommels, een paar bekers en bakjes op het aanrecht. Schoolbrood. Ontbijtbrood. Fruit. Drinken. Alles klaar. Alles voorbereid. Alsof er achter de schermen een gezin draait met beleid, structuur en een operationeel draaiboek.

Maar meestal staan we daar gewoon moe te zijn.

Met een mes in de pindakaas, met kinderen die nog niet slapen en met een aanrecht dat eruitziet alsof er een kleine voedselvergadering uit de hand is gelopen.

Met de vraag of dit nou eigenlijk goed genoeg is.

Want een broodtrommel is nooit alleen een broodtrommel.

Een broodtrommel is een klein rechthoekig bewijsstuk. Van zorg. Van haast en vooruitdenken. Van schuldgevoel. Van liefde in stukjes appel. Van ouderlijke hoop dat niemand morgenochtend om 07:38 zal zeggen: “Ik lust dit eigenlijk niet meer.

En dan dat “gezonde school“-beleid.

Ik snap het heus. Natuurlijk snap ik het. Kinderen hebben voeding nodig waar ze iets aan hebben. Geen trommel vol suiker, geen lunchtas als rijdende snoepkraam. Prima. Verstandig. Gezond. Allemaal waar.

Maar er zijn avonden waarop een koekje niet voelt als onverantwoord, maar als genade.

Een klein biscuitje als vredesverdrag tussen ideaal en werkelijkheid.

Alleen mag dat dus niet.

Dus snijd je fruit. Ook als je geen zin hebt.

Ook als de appel van binnen een plek blijkt te hebben die je eruit moet opereren alsof je in een culinair traumacentrum staat.

Ook als het kind dat gisteren nog druiven wilde, vandaag bij voorbaat al bezwaar heeft tegen druiven, omdat druiven “raar nat” zijn.

Je wast bekers. Je zoekt de goede dop. Je ontdekt dat de favoriete beker nog in een tas zit. Je vindt hem. Je betreurt dat. Je spoelt hem om alsof je bezig bent met archeologisch veldwerk.

En ondertussen gaat boven weer een deur open.

Papa?

– “Ja.

Want dat is ook ouderschap.

Niet één ding afmaken, maar tien dingen tegelijk half doen en hopen dat liefde ergens tussen de bedrijven door herkenbaar blijft.

Liefde is niet altijd groots.

Liefde is niet altijd rustig.

Liefde is niet altijd een warm gesprek aan de rand van een bed, met precies de juiste woorden op precies het juiste moment.

Soms is liefde een ontbijttrommel.

Dat klinkt absurd, maar toch is het zo.

Een trommel met brood erin, klaargezet voor een ochtend waarvan je nu al weet dat hij te snel zal beginnen. Een poging om je toekomstige zelf te helpen. Maar ook je kind. Want dat kind hoeft morgen niet te wachten tot jij met je slaperige hoofd hebt bedacht wat er nog moet gebeuren. Dat kind kan eten. Door. Naar school. De dag in.

Er zit iets zachts in die voorbereiding.

Iets dat je gemakkelijk over het hoofd ziet, omdat het eruitziet als huishoudelijk werk. Maar dat is het niet alleen.

Het is zorg in vermomming, liefde zonder violen.

Het is liefde met een broodmes en een snijplank. Met een beker die lekt als je hem niet precies goed dichtdraait. Liefde met pindakaas aan de rand van het bakje.

En ja, soms ook met gemopper.

Want laten we niet doen alsof dit allemaal in serene dankbaarheid gebeurt. Niemand staat om kwart voor negen ’s avonds fruit te snijden met het gevoel dat hij deelneemt aan een spirituele oefening met zijn innerlijke sjamaan.

Je doet het omdat het moet.

Omdat morgen anders nog moeilijker wordt. Omdat kinderen eten nodig hebben. Omdat school verwacht dat je meedoet.

Omdat je ergens diep vanbinnen toch graag wilt dat ze iets fatsoenlijks binnenkrijgen.

En omdat liefde in een gezin vaak niet begint met gevoel, maar met handeling.

Smeren. Snijden. Vullen. Dichtklikken. In de koelkast zetten. Opnieuw roepen dat het nu echt tijd is om te gaan slapen.

Misschien is dat wat ik steeds meer leer.
Dat liefde niet altijd hoeft te voelen als liefde op het moment dat je haar doet.

Soms voelt liefde als vermoeidheid. Als routine. Als “waar is de dop van deze beker?” en “nee, morgen krijg je geen chocoladepasta mee.

Als “ja, ik weet dat je appel lekkerder vindt als hij niet bruin wordt, maar ik ben geen tovenaar.

En toch is het liefde.

Juist misschien omdat niemand ervoor applaudisseert.

Niemand ziet die trommels ’s avonds in de koelkast staan als kleine stille bewijsstukken van een dag die nog moet komen. Niemand denkt morgenochtend: kijk eens wat een tedere daad van vooruitgeschoven zorg.

Ze eten het gewoon op.

Of half.

Of niet, omdat het brood “anders smaakte”.

Ook dat is ouderschap.

Je stopt liefde ergens in en krijgt soms kruimels terug.

Maar goed.

Er zat liefde in.

En ook pindakaas.