De bedelroep van kwart over vijf

Sinds een paar avonden horen we in de schemering een roep. Eén hoge piep, een beetje klagend, aflopend in toonhoogte, alsof ergens in een boom een heel klein wezen zit dat al veel te lang wacht op iets wat beloofd is maar maar niet komt. Eerst dachten we aan een onbekende vogel, daarna aan een defect speeltje, vervolgens aan iets dat misschien gered moest worden, en uiteindelijk kwamen we uit bij de meest waarschijnlijke verklaring: een jonge ransuil. Een uilenpuber dus. Zo’n pluizig wezen met te grote ogen, te veel honger en vermoedelijk net genoeg vleugelervaring om zichzelf ergens onhandig in een boom te parkeren, om daar vervolgens de hele buurt te laten weten dat de catering zwaar ondermaats is.

Dat beeld bleef hangen.

Een jonge uil, ergens in de bomen van het plantsoen, die in de schemering zit te wachten op ouderlijke maaltijdbezorging. Geen Thuisbezorgd, geen bezorgfiets met een veel te grote kubus op de rug, geen melding op een telefoon dat “je bestelling elk moment kan arriveren”, maar gewoon twee vermoeide ouderuilen die ergens boven de akkers en bermen proberen een muis op te duikelen, terwijl hun kroost vanaf verschillende bomen roept alsof het door niemand op deze wereld ooit werkelijk begrepen is.

En ik dacht: ja. Dat ken ik.

Niet van de uilen, bedoel ik. Van de kinderen.

Want er is een moment op de dag waarop een kind ophoudt een kind te zijn en verandert in een biologisch alarmsysteem. Dat moment ligt meestal ergens tussen school, buitenspelen, thuiskomen, schoenen op plekken waar geen schoenen horen, een beker drinken die half wordt opgedronken en vervolgens op de rand van een tafel wordt achtergelaten, en de vraag wat we eten. Niet omdat ze werkelijk geïnteresseerd zijn in de culinaire koers van het gezin, maar omdat hun complete bestaanszekerheid op dat moment afhankelijk is van het antwoord.

“Wat eten we?”

Dat klinkt als een vraag, maar dat is het niet. Het is een peiling. Een dreigingsanalyse. Een vroegtijdige waarschuwing van een systeem dat al langzaam rood begint te knipperen.

Zeg je “pasta”, dan kan er nog enige hoop ontstaan. Zeg je “iets met groente”, dan voel je de luchtdruk veranderen. Zeg je “we kijken zo even”, dan is het eigenlijk al te laat. Dan zit er ergens in je keuken een kind op een tak, figuurlijk dan, met de ogen van een nachtjager en het moreel van een failliete snackbar.

Kinderen kunnen prachtig spelen, bouwen, rennen, lezen, fantaseren en complete werelden scheppen uit karton, kussens, takken en spullen die jij gisteren nog nodig had. Maar zodra de honger inzet, verdwijnt de beschaving met een snelheid waar archeologen jaloers op zouden zijn. Eerst gaat het overleg eruit. Daarna de nuance. Daarna het vermogen om normaal te reageren op een broer die ademt in dezelfde ruimte. En ergens halverwege dat proces verschijnt de bedelroep.

Niet altijd letterlijk. Soms is het een zucht. Soms een “ik heb hónger” met zoveel dramatische lading dat je verwacht dat er op de achtergrond vioolmuziek begint. Soms een kastdeur die open en dicht gaat. Soms een kind dat in de koelkast kijkt alsof daar, tussen de kaas en de augurken, misschien alsnog een nieuwe ouder ligt met betere snacks. Soms is het ruzie om niets, maar dan ook echt niets. Een sok. Een plek op de bank. Een blik. Een Lego-steentje dat volgens niemand officieel van iemand was, behalve op dit precieze moment, waarop het ineens erfgoed blijkt.

En dan kun je als ouder van alles proberen. Je kunt uitleggen dat het eten bijna klaar is. Je kunt zeggen dat ze nog even moeten wachten. Je kunt benoemen dat het niet aardig is om je broer aan te kijken alsof hij persoonlijk verantwoordelijk is voor het bestaan van spruitjes. Je kunt opvoedkundig verantwoord op ooghoogte gaan zitten, al is dat in mijn geval sowieso een onderneming waar mijn knieën eerst schriftelijk toestemming voor moeten geven. Maar vaak is de waarheid veel eenvoudiger en platter dan alle boekjes willen toegeven.

Er moet voer in.

Niet straks. Niet na nog één pedagogisch gesprek. Niet nadat iedereen zijn gevoel heeft benoemd in kleuren, dieren of weersomstandigheden. Gewoon: voer. Een cracker, een banaan, een boterham, een stuk komkommer waar ze normaal hun neus voor ophalen maar nu toch naar binnen werken alsof ze net uit een expeditiegebied terugkomen. Iets dat het bloedsuikerpeil uit de kelder haalt en daarmee ook de menselijke taal terugbrengt.

Er zijn mensen die zeggen dat je kinderen niet voortdurend moet voeren om gedrag te reguleren. Dat geloof ik meteen. Er zijn ook mensen die een servieskast hebben zonder plastic bekers met tandafdrukken. Prachtige mensen waarschijnlijk. Rustige mensen. Mensen bij wie de fruitschaal niet functioneert als onderhandelingsruimte.

Hier thuis is eten soms minder maaltijd en meer crisisinterventie. Een boterham met pindakaas is geen boterham met pindakaas, maar een vredesmissie op vezelbasis. Een appelpartje is geen appelpartje, maar diplomatiek overleg. Een plak worst is geen plak worst, maar een noodverband op de ziel. Niet omdat we alles oplossen met eten, maar omdat sommige problemen pas weer problemen mogen heten nadat er iets in een maag is geland.

En eerlijk is eerlijk: ik snap het ook. Ik ben zelf geen toonbeeld van verfijnde beschaving als ik honger heb, vraag maar aan mijn vrouw. Ik kan best doen alsof ik een volwassen man ben met taal, zelfreflectie en enige beheersing, maar ook bij mij zit er ergens een kleine ransuil in een boom te roepen als het avondeten te lang op zich laat wachten. Alleen klinkt mijn bedelroep anders. Meer als kastjes opentrekken. Of “hebben we nog iets?” zeggen terwijl ik al weet dat we iets hebben, maar niet het juiste iets. Want honger is zelden op zoek naar voeding. Honger is op zoek naar precies dat ene dat het universum op dat moment weer rechtzet.

Soms is opvoeden gewoon bijvoeren.

Bij kinderen is dat nog eerlijker. Die doen niet alsof. Die zeggen gewoon dat ze honger hebben, dat alles stom is, dat hun broer stom is, dat jij stom bent, dat het eten stom ruikt en of ze misschien alvast een cracker mogen. En als die cracker er eenmaal in zit, zie je soms binnen drie minuten het kind terugkeren. Alsof iemand de storing uit de uitzending haalt. De stem zakt. De schouders zakken. De broer blijkt ineens toch weer speelbaar. Het leven kan verder.

Buiten roept intussen de jonge uil nog een keer. Hoog, dalend, dramatisch genoeg om serieus genomen te worden. Ergens in het groen wacht hij op een muis. Of op twee muizen. Of op de bevestiging dat zijn ouders hem niet vergeten zijn. En misschien is dat uiteindelijk wat die hongerige momenten ook zijn. Niet alleen trek in eten, maar een kleine, luidruchtige vraag: zie je mij, regel je iets, komt het goed?

En dan sta je daar als ouder, in de keuken, tussen broodtrommels, kruimels, pannen en een koelkast die net iets te vaak openstaat. Geen wijze opvoeder met een sluitende methode. Meer een vermoeide voedseldienst met liefde in de voorraadkast.

Dus ja, soms is opvoeden praten, begrenzen, begeleiden, luisteren en ruimte geven.

Maar soms is opvoeden gewoon bijvoeren.

En hopen dat de jonge uilen daarna weer even zichzelf worden.