Een kleine brief aan de grote rekensom

Vandaag heb ik brieven gestuurd.
Althans, digitaal. In deze tijd betekent dat ongeveer hetzelfde, alleen ontbreekt het ritueel van de envelop, de postzegel en het moment waarop je iets letterlijk uit handen geeft. Nu is het meer een kwestie van verzenden; nog eens teruglezen, een tikje aarzelen, en dan toch op die knop drukken. Weg bericht. Weg gedachte. Op naar een inbox, een meldpunt, een commissieadres, een systeem ergens in de verte.

Ik schreef aan Ieder(in), aan de ANWB en aan de vaste commissie Financiën. Niet omdat ik verwacht dat er morgenochtend in Den Haag iemand opschrikt, tegen zijn koffie tikt en roept: “wacht eens even, die man uit Emmeloord heeft gelijk, alles moet anders!”. Zo romantisch is de bestuurskunde niet. Maar soms moet een signaal gewoon even bestaan. Niet als klaagzang, maar als markering. Als klein vlaggetje in het landschap van beleid: hier ligt iets dat je anders gemakkelijk over het hoofd ziet.

kun je nog ergens komen zonder dat het je langzaam uit je bestaan prijst?

De aanleiding laat zich raden. Brandstofprijzen stijgen. Dan komt onvermijdelijk de vraag op wat de overheid moet doen. Accijnzen, lasten, koopkracht, MRB, allerlei woorden die op papier technisch ogen maar in het dagelijks leven gewoon betekenen: kun je nog ergens komen zonder dat het je langzaam uit je bestaan prijst?

Wat nu rondzingt, zijn “onconventionele maatregelen”. Zo heet dat dan. Een mooie bestuurlijke term. Alsof beleid pas echt interessant wordt wanneer het even buiten zijn eigen lijntjes kleurt. Eén van de opties waarover gesproken wordt, is verlaging van de motorrijtuigenbelasting. Een eenvoudige knop, bestuurlijk gezien. Zo wordt er dan gedacht. Je draait eraan, ergens schuiven getallen, een maatregel krijgt vorm, en men kan zeggen dat er iets is gedaan voor de automobilist.

Maar wie is in dat verhaal “de automobilist”?

Dat is vaak een wonderlijk abstract figuur. Iemand met een gewone personenauto, een normaal tarief, een gemiddeld profiel, een rekensom die keurig in een beleidsnotitie past. Een soort fiscale passant. Niet per se een mens van vlees en bloed, maar eerder een categorie met vier wielen. En daar wringt het.

Geen lifestyle, maar infrastructuur op wielen.

Want er zijn ook mensen voor wie mobiliteit geen voorkeur is, maar voorwaarde. Mensen die niet rijden in een dieselbus omdat ze dat gezellig vinden, of stoer, of praktisch voor de bouwmarkt op zaterdag. Mensen die erin rijden omdat hun lichaam, hun beperking, hun dagelijkse werkelijkheid iets anders eenvoudigweg niet toelaat. Dan wordt een voertuig geen luxe, maar een hulpmiddel met kenteken. Geen lifestyle, maar infrastructuur op wielen.

Juist voor die groep zat er ooit nog een zekere logica in de regeling. Verlaagde MRB. Diesel die goedkoper was dan benzine. Dat streek niet alles glad, maar het maakte iets leefbaar. Niet ruim. Niet royaal. Leefbaar. En dat is voor veel mensen al heel wat.

Nu diesel duurder is geworden dan benzine, kantelt dat evenwicht. Wat eerst nog een redelijke compensatie was voor een noodzakelijke afhankelijkheid, wordt langzaam een scheefgroei. En als daar straks een generieke MRB-maatregel overheen gaat die vooral is gedacht vanuit de standaardauto en het standaardtarief, dan gebeurt er iets heel merkwaardigs: een maatregel die mobiliteit betaalbaar moet houden, dreigt juist voorbij te gaan aan degenen voor wie mobiliteit het minst vrijblijvend is.

Dat is geen detail. Dat is geen voetnoot. Dat is beleidslogica die onderweg haar mens uit het oog verliest.

Dus schreef ik.

Niet boos, al helpt enige ergernis soms wel om een zin rechtop te krijgen. Niet verongelijkt ook, want dat maakt een argument zelden sterker. Meer vanuit het eenvoudige besef dat systemen de neiging hebben om de uitzonderingen pas te zien wanneer ze al schade hebben aangericht. Terwijl goed beleid juist begint bij de vraag wie je onbedoeld níét meeneemt.

Gewoon een paar welgekozen woorden, op het juiste moment.

Ergens vind ik het ook wel komisch, op de droge manier waarop bestuurlijke dingen komisch kunnen zijn. Dan zit je dus op een doorsnee dag, ergens tussen koffie, werk, herstel, huishouden en de gewone rommel van het leven, principiële signalen richting Den Haag te formuleren over fiscale evenredigheid en maatschappelijke participatie. Dat is ook een vorm van burgerschap waar niemand als kind van droomt. Je denkt toch eerder aan stemmen, misschien een keer een ingezonden brief, hooguit een buurthuisdiscussie. Niet aan het uitleggen dat een bestelbus met gehandicaptentarief geen exotische uitzondering is, maar gewoon een kwestie van kunnen meedoen.

Toch is dat precies waarom dit soort brieven nodig zijn.

Niet omdat één bericht de wereld verandert. Maar omdat stilte altijd in het voordeel werkt van de standaardaanname. En de standaardaanname is bijna nooit gebouwd voor de rafelrand van het leven. Daar waar mensen niet in de nette categorie vallen, waar noodzaak eruitziet als uitzondering, waar een regeling ooit precies goed genoeg was en nu langzaam tekort begint te schieten.

Dus vandaag gingen er drie digitale brieven de deur uit.
Geen tromgeroffel. Geen groot gebaar. Geen Haagse opwinding.
Gewoon een paar welgekozen woorden, op het juiste moment, in de hoop dat ze ergens landen vóór er weer een maatregel ontstaat die op papier keurig klopt en in het echte leven net verkeerd uitpakt.

Soms is dat wat je doen kunt.
Niet meer. Maar ook niet minder.

En zo nu en dan blijkt een een kleine brief toch niet helemaal te verdwijnen.