Ergens halverwege het afgelopen jaar begon ik te geloven dat stabiliteit mogelijk was. Geen grote sprongen, geen stoere beloften aan mezelf, maar een soort stille gelijkmatigheid. Dagen waarop mijn lijf niet volledig in protest was, momenten waarop ik dacht: “misschien kan ik hierop bouwen“.
Maar opbouwen blijkt een wankele kunst. Want hoe vaker ik mijn functionele beperkingen zwart op wit teruglees, hoe harder ze binnenkomen. Zwart op wit is één ding — het blijft papier, het blijft stil. Maar ze hardop uitspreken is iets anders. Dan krijgen woorden gewicht. Dan valt het lood niet bijna in mijn schoenen, maar precies daar waar het pijn doet.
Het is een hard gelag. Niet het verhaal dat ik ooit voor mezelf getekend had. Maar het is het verhaal dat dit lichaam mij geeft. En dus luister ik. Soms met tegenzin, soms met dankbaarheid, vaak ergens daartussenin.
Omdat stil blijven staan niet hetzelfde is als opgegeven.
Er is een vreemd soort oefening gaande in mij: het zoeken naar ruimte tussen beperkingen. Alsof ik door een huis loop waarvan de muren steeds iets dichterbij kruipen, maar waar toch ergens een raam op een kier staat. Een sprankje lucht.
Ik probeer mijn wereld groter te maken dan mijn invaliditeit. Groter dan diagnoses, labels, overschrijdingen van grenzen, het vallen en het weer opstaan. Maar eerlijk is eerlijk: het voelt soms alsof elke poging om te rekken eindigt in scheuren. En toch… blijf ik zoeken. Omdat stil blijven staan niet hetzelfde is als opgegeven.
In kleine, zorgvuldig afgemeten porties.
Ik heb de laatste tijd veel nagedacht over dat oude verhaal van de twee wolven. De één licht, de ander donker. De één hoop, de ander wanhoop. En hoe de wolf wint die je voedt.
Alleen… wat ze er niet bij vertellen, is dat sommige dagen de donkere wolf luidruchtiger is. Groter. Gretiger. Hij vreet aan je gedachten nog voordat je de kans krijgt om je bestek op tafel te leggen.
En toch probeer ik mijn goede wolf het eerst te laten eten. Soms is dat een warme glimlach van mijn kinderen. Soms een moment dat mijn lijf stil is. Soms een onverwachte rust. Soms gewoon het besef dat ik er nóg ben — dat opstaan nog steeds lukt, al is het langzaam.
De negatieve wolf krijgt ook voer, dat kan niet anders, maar minder. In kleine, zorgvuldig afgemeten porties. Genoeg om hem rustig te houden, niet genoeg om hem te laten groeien.
Mijn leven is niet kleiner geworden — het vraagt alleen andere vormen.
Het is zoeken naar weerbaarheid zonder mezelf weg te zetten als sterker dan ik ben. Het is zoeken naar positiviteit zonder het donker te ontkennen. Het is een dans — soms sierlijk, soms pijnlijk, soms met twee linkerbenen.
Maar ergens, tussen die twee wolven, tussen diagnose en daglicht, tussen hoop en het harde gelag, leer ik iets wat misschien wel de kern is van deze periode:
Mijn leven is niet kleiner geworden — het vraagt alleen andere vormen.
En in die vormen, hoe onhandig, hoe schurend soms ook, vind ik steeds opnieuw een kier van ruimte.
Een raam dat net iets verder open kan.
Een stukje wereld dat nog steeds van mij is.


