De tijd is er. En dat mag.

Dat zijn vreemde woorden als je van iemand houdt. Alsof houden van en laten gaan niet tegelijkertijd kunnen bestaan.

Maar soms kunnen ze dat wel.

Drieënnegentig jaar is een heel leven.
Meer dagen dan je kunt tellen. Gevuld met mensen, plaatsen, gebeurtenissen en vooral heel veel gewone momenten.
Dingen waarvan niemand op dat moment wist dat ze later herinneringen zouden worden.

En nu mag je gaan. In slaap. In rust.
Geen strijd, geen haast, niets wat nog moet.
Dat is prettig.

Verdrietig wel. Natuurlijk.
Want hoe lang iemand er ook is geweest, je raakt nooit helemaal uitgekeken op iemand van wie je houdt.

Maar tussen dat verdriet zit ook iets anders.

Dankbaarheid.

Dankbaar, omdat je er was.
Omdat wij jou hebben gekend.
Omdat een stukje van jouw lange leven ook onderdeel van het onze werd.

Voor ons blijft er straks veel achter.
Niet alleen in foto’s of verhalen die nog eens verteld worden, maar juist in die kleine dingen waarvan niemand precies meer weet waar ze ooit begonnen zijn.

Een gewoonte. Een uitspraak. Een manier van doen. Een stukje van jou dat ongemerkt in een ander is gaan zitten en daar gewoon verder leeft.

En misschien is dat ook wel het mooiste van zo lang deel zijn van een familie. Je laat overal een beetje van jezelf achter.

Wij blijven hier nog even.
Jij hoeft dat niet meer.

En als afscheid inderdaad niet het laatste is wat mensen van elkaar zien, dan hoeft dit ook geen vaarwel te zijn.

Dan ben jij er alleen wat eerder.

Dag lieve oma.
Tot later.