Soms zit een probleem niet in wat er wél is, maar in dat ene stukje dat iemand vergeten is.
Bij de school van mijn kinderen ligt een gehandicaptenparkeerplaats. Keurig aangegeven. Dicht bij de ingang en op papier dus helemaal prima.
Alleen is er een klein praktisch detail.
Ik kan er parkeren, maar vervolgens moet ik ook nog uit mijn bus zien te komen. En dat blijkt ineens een heel ander ontwerpvraagstuk.
Ik sta niet magisch naast mijn bus zodra ik het contact uitzet. Ik heb ruimte nodig om uit te stappen, met wandelstok en veilig van voertuig naar de stoep te komen.
Die ruimte zit alleen niet automatisch in het ontwerp van een gehandicaptenparkeerplaats.
Sterker nog: als er naast mijn bus fietsen staan, iemand zijn bakfiets neerzet of de stoep simpelweg te smal of onhandig is ingericht, kan ik een officieel toegankelijke parkeerplaats hebben waar ik praktisch gezien niets aan heb.
Dat is ergens best bijzonder.
We hebben dan namelijk een voorziening gemaakt om toegankelijkheid mogelijk te maken, zonder helemaal door te ontwerpen wat iemand nodig heeft om die voorziening daadwerkelijk te gebruiken.
Drie stoeptegels breed
En het mooie is: de oplossing hoeft helemaal niet spectaculair te zijn.
Geen verbouwing van een halve straat, geen futuristische constructies en geen projectgroep van twaalf mensen met een Powerpoint van 84 pagina’s.
In dit geval hebben we het eigenlijk over ongeveer drie stoeptegels breed.
Een herkenbaar uitstapvak naast de gehandicaptenparkeerplaats. Een stukje stoep waarvan duidelijk is: dit hoort functioneel bij deze parkeerplaats. Laat het vrij, want hier moet iemand met beperkte mobiliteit veilig kunnen uitstappen. Meer niet.
En tegelijkertijd: veel meer dan dat.
Want zodra je zo’n vak bewust intekent, verandert er iets in de manier waarop je ontwerpt.
Je zegt dan niet meer alleen: Hier mag iemand met een beperking parkeren.
Je zegt: We hebben nagedacht over hoe die persoon deze plek daadwerkelijk gebruikt.
Dat verschil klinkt klein. Dat is het niet.
Toegankelijkheid achteraf
Veel van onze openbare ruimte is historisch ontworpen rondom een vrij specifieke standaardgebruiker.
Iemand die loopt en makkelijk een stoepje op kan. Iemand die een smalle doorgang geen probleem vindt en aan iedere kant van een auto kan uitstappen. Of iemand die even snel om een obstakel heen loopt.
En pas als iemand dat niet kan, proberen we het ontwerp vervolgens toegankelijk te maken. Een opritje hier. Een aangepast toilet daar. Een gehandicaptenparkeerplaats erbij.
Allemaal nuttig en belangrijk, maar het blijft vaak een toevoeging achteraf.
Alsof invaliditeit iets bijzonders is waar een ontwerp af en toe rekening mee moet houden, in plaats van een normaal onderdeel van de samenleving waarvoor je vanaf het begin af aan ontwerpt.
En precies daar vind ik dit uitstapvak interessant worden. Want dit gaat eigenlijk helemaal niet meer over mij.
Elders is het al normaal
Het principe dat een gehandicaptenparkeerplaats ook voldoende vrije ruimte nodig heeft voor de transfer naar de stoep, of naar een rolstoel is internationaal helemaal niet nieuw.
In verschillende landen wordt zo’n vrije strook naast een toegankelijke parkeerplaats expliciet meegenomen in richtlijnen en ontwerpnormen.
Soms als onderdeel van de parkeerplaats zelf, soms als een gemarkeerde strook ernaast. En soms kan een aangrenzend trottoir bewust die functie vervullen.
Logisch ook.
Want een parkeerplaats voor een fysiek beperkter persoon ontwerpen zonder ruimte om goed te kunnen gebruiken is een beetje alsof je een bushalte bouwt zonder plek om op te kunnen stappen.
Technisch gezien is er een halte. Succes ermee.
In Nederland is zo’n uitstapvak, of transferzone, alleen nog lang geen vanzelfsprekend onderdeel van het ontwerp van een gehandicaptenparkeerplaats. En daarmee ontstaat eigenlijk een heel leuke kans.
Noordoostpolder hoeft niet te wachten
Ik heb dit voorstel inmiddels bij de gemeente Noordoostpolder neergelegd.
Niet als eis om nu onmiddellijk alle gehandicaptenparkeerplaatsen in de gemeente opnieuw te bestraten. Ook niet met de pretentie dat drie tegels ineens alle toegankelijkheidsproblemen oplossen.
Maar wel met de gedachte: probeer het eens.
Maak op deze locatie een duidelijk uitstapvak, of transferzone als dat beter klinkt, en kijk hoe het werkt. Wat gebruikers ervan vinden.
Beoordeel wat het betekent voor voetgangers, fietsers en het gebruik van de parkeerplaats. En als het werkt? Doe er dan vooral iets mee.
Want gemeenten hoeven niet altijd te wachten tot er ergens een nieuwe landelijke norm verschijnt voordat ze een goed idee mogen toepassen.
Sterker nog: zo’n norm moet ergens vandaan komen. Iemand moet ooit de eerste zijn die zegt: Waarom doen we dit eigenlijk niet standaard?
Van stoeptegel naar standaard
Stel dat Noordoostpolder dit uitvoert. En stel dat het in de praktijk precies doet wat we verwachten.
Dan heb je ineens geen theorie meer. Dan heb je een praktijkvoorbeeld.
Een eenvoudige maatregel. Een simpel ontwerp. Gebruikerservaring. Ervaring van verkeerskundigen en misschien een paar verbeterpunten.
Maar bovenal een oplossing die een andere gemeente vrijwel letterlijk kan kopiëren. En daar kan een gemeentelijke ontwerprichtlijn uit ontstaan die gedeeld kan worden met andere gemeenten. Met toegankelijkheidsorganisaties, met ontwerpers van openbare ruimte en met partijen die landelijke richtlijnen maken.
En voordat iemand nu denkt dat ik verwacht dat heel Nederland volgend jaar vol ligt met door mij bedachte transferzones: nee.
Zo snel werkt de wereld doorgaans niet.
Maar verandering hoeft ook niet altijd groot te beginnen. Soms begint een landelijke standaard gewoon met één gemeente die iets probeert.
Een andere vraag stellen
Misschien is dat uiteindelijk nog wel de belangrijkste winst. Niet het vak zelf. Maar de vraag die eraan voorafgaat.
Niet: Voldoet deze gehandicaptenparkeerplaats aan de eisen?
Maar: Kan iemand die deze parkeerplaats nodig heeft hem ook daadwerkelijk gebruiken?
Dat is een wezenlijk andere manier van kijken. Een manier van kijken die wat mij betreft veel breder mag worden toegepast.
Bij straten en gebouwen. Bij scholen, speeltuinen, openbaar vervoer en zelfs bij digitale dienstverlening.
Niet achteraf controleren of iemand met een beperking er ook nog ergens tussendoor past, maar vanaf het begin aannemen dat die persoon er gewoon bij hoort. Omdat dat ook zo is.
Drie stoeptegels
En dus ligt er nu een voorstel bij de gemeente Noordoostpolder.
Voor een uitstapvak/transferzone naast een gehandicaptenparkeerplaats. Ongeveer drie tegels breed.
Heel veel ingewikkelder hoeft het soms niet te zijn.
Misschien wordt het gewoon een handig vak naast een enkele parkeerplaats en blijft het daarbij. Dat zou al winst zijn.
Maar misschien kijkt er straks iemand naar en zegt: Hé. Waarom doen we dit eigenlijk niet overal?
En heel misschien hoeft een nieuwe landelijke standaard dan niet ergens achter een bureau in Den Haag te beginnen.
Misschien begint hij gewoon op een stoep in Emmeloord.


